Google Analytics Alternative Column Arie Cupé: 'Altijd iets van maken'

Altijd iets van maken, Arie Cupé

In 1982 debuteerde Arie Cupé in het liedjesprogramma van Oklahoma tot Anatevka en sindsdien heeft hij in vele voorstellingen acte de préséance gegeven. De meeste recente voorstellingen waar Arie Cupé in te zien was waren “De Jantjes” en “Harrie let op de kleintjes” In de columns die Arie Cupé maandelijks voor ons zal schrijven, neemt hij je mee naar zijn rijke en persoonlijke theaterverleden.

In de jaren zestig van de vorige eeuw stond ons Nationale Ballet onder leiding van mevrouw Sonia Gaskell. Zij was van Joods-Russische afkomst met een groot karakter. Het Nationale Ballet heeft veel aan haar te danken. Zij stierf in 1974. In de theaterwereld wordt nog áltijd een beroemde uitspraak van haar geciteerd: ‘Maaisjes, als jij valt, áltijd iets van máken’. Dus als er iets mis gaat tijdens een voorstelling, proberen we het altijd te redden, alsof er niets aan de hand is. Dat gebeurde vroeger, dat gebeurt nu en dat zal altijd zo blijven. Want er kán natuurlijk veel misgaan. 

Allereerst zijn er de ongelukken. Dat is naar. In de komedie van en met Jon van Eerd ‘Kantje Boord’, kwamen wij samen aan het begin van het stuk op in een roeibootje, met wieltjes eronder. Ik zat met roeispanen achterin het bootje, Jon stond rechtop aan de voorkant. Dat bootje, met ons erin, stond elke avond klaar, soms in héle smalle coulissen, en op het juiste moment werden we door de technicus met een noodgang het toneel op gerold. Dat ging altijd goed. Behalve die ene keer. Dat kwam zo: Voor ons onzichtbaar, achter een zwarte afstopping, hing een grote geluidsbox. Zoals altijd kregen wij weer een enorme zwiep het toneel op, waarbij Jon met een verschrikkelijke klap met zijn hoofd tegen die box knalde. Hij viel achterover, bovenop mij. Wij kwamen dus enigszins wonderlijk óp. Collega Filip Bolluyt begon de scène met ons, maar dat deed hij met een verschrikte blik. En ineens zag ik het ook: Er ontstond op de voorhoofd van Jon in een hevig tempo een kippenei met een dubbele dooier, zo groot. Binnen een minuut. Het leek wel een tekenfilm. We hobbelden de eerste scène door, maar na een minuut of tien werd Jon toch echt even niet lekker. Op een goed moment lieten we het doek zakken. ‘Dames en heren, er is een technisch probleem’, lieten we het publiek weten. Hier viel even niets van te maken. Maar in een voorstelling van Jon denkt het publiek toch altijd dat alles er gewoon bij hoort. Jon kon even water drinken, tot zichzelf komen. Na vijf minuten gingen we weer verder. 

arie kruidenier
Een paar jaar later mocht ik zelf ervaren wat zo’n ei op je hoofd betekent. Ik speelde die avond in de musical ‘Heerlijk duurt het langst’ de rol van kruidenier. We waren wat vroeg aangekomen in het theater. Ik hielp Alet Aalders, onze perfecte medewerkster achter de schermen, een beetje mee uitpakken. Verschillende kleine decorstukken werden in het interieur van een toonbank op reis vervoerd. Die toonbank was zelf ook een stuk decor in de musical. Die inhoud werd bij elkaar gehouden met een groot elastiek. Dat zat aan één kant vast, aan de andere kant was een ‘kromme’ bevestigd. Dat is een soort spijker met een oog. Wordt in het theater gebruikt bij deurscharnieren in het decor en zo. Maar nu zat het dus bevestigd aan die toonbank, waardoor de boel bij elkaar bleef. En daar stond natuurlijk een enorme spanning op. ik dééd het héél voorzichtig, maar toch, rats, knál, béng! Het elastiek schoot los en de kromme kwam keihard tegen mijn voorhoofd. En húp, bij mij dus hetzelfde effect als bij Jon: Binnen een minuut een ei! Als het in mijn oog was gekomen was ik blind geweest. 

Dierbare Alet bracht me gauw naar de eerste hulp. Die konden niet veel doen. Het zou vanzelf overgaan. We kregen de tip mee dat ijs erop helpt. Dat hielp. Maar goed. Ik moest wel meteen óp. Ik droeg in die rol gelukkig constant een pet, dus het publiek heeft de bult niet gezien. Dit zijn allemaal vervelende zaken.

Gelukkig zijn er ook onschuldige ongelukjes: Veronique van der Scheer nieste in de musical ‘Revue Revue’ haar pruik af! Ikzelf verloor in de musical ‘Zzinderella’ mijn pruik, toen ik in mijn rol van lelijke stiefdochter moest flauwvallen en mijn pruik een paar meter verderop landde. Jos Brink, in deze scène in de rol van koning, stond op, pakte m’n pruik, schoof het op mijn hoofd en zei: ‘Hou toch bij je’. Een open doek (applaus) in een vol Carré. 

Terwijl we in de musical ‘Oh Johnny’ een ernstig lied stonden te zingen, konden wij via zijn zendmicrofoon vanuit een toilet Fred Florusse kletterend horen plassen, en met ons de hele zaal. Heddy Lester ik zaten als twee ouwe Spaanse vrouwen in een échte boom op een échte binnenplaats, want wij speelden de voorstelling ‘Bloedbruiloft’ van Lorca op een buitenlocatie. Vóór het publiek arriveerde gingen wij samen via een ladder de boom in, ladder weg, publiek erbij, aanvang. Ineens regen. Iedereen rénde naar binnen. Daar záten Heddy en ik! Machteloos, bovenin die boom! Stortbui! Bliksem! We hadden dóód kunnen zijn! Geroosterd in een boom! Treurige dood, toch? Alles voor de kunst, maar dat zou overdreven zijn. 

Maar de leukste momenten zijn toch de onbedoelde versprekingen. De échte! Niet leuk doen, daar heb ik een hekel aan, maar échte versprekingen. Ik denk aan ‘Max Havelaar’, toen Jos Brink doodernstig in plaats van ‘Kampongs platgebrand’ zei: ‘Campings platgebrand’. Georgette Hagedoorn zong in de musical ‘Madame Arthur’ in plaats van ‘Ooh, ik geef mij al teveel bloot, maar steeds een minkcoat’ ineens: ‘Lalala la la lala…. bontjas!’. En dat is allemaal om gék van het lachen te worden, als je er náást staat. Ikzelf had meteen in mijn eerste musical, ‘De zoon van Louis Davids’, ook een gedenkwaardige verspreking. De pauzefinale was een ernstig, beetje Brecht-achtig nummer: ‘De zesdaagse van het leven’. Iedereen van de cast had een dag van de week: Jenny Arean zong: ‘Maandags zegt je huisbaas dok je, of ik ontruim je tochtig hokje’. Toen kwam ik: ‘Dinsdags komt men je bedelen met twee knusse dwangbevelen’. En zo ging het door, woensdag, donderdag etc. Toen Jenny bezig was dacht ik, ‘Oh god, wat zing ik nou???’ En in plaats van ‘Dinsdags komt men je bedelen met twee knusse dwangbevelen’ werd het: ‘Dinsdags ben je bezig, en dan worden alle mensen een beetje hesig’. Helemaal niet zó grappig, maar voor ons was het geestig genoeg. Gerrie van der Klei huilde haar woensdag-tekst de zaal in. De rest van de week probeerden ook hun lach te houden. De vrijdag werd door Lex Goudsmit bezongen. Lex was toen al een piepklein beetje doof, dus die had helemaal niets van de situatie meegekregen, sprak ernstig zijn ‘vrijdag-tekst’ en daar moesten we óók weer om lachen. Enfin, wat een moment! Zo goed en zo kwaad als het ging haalden we de pauze. We speelden met open doek. Renden af. En iedereen lag languit in de coulissen uit te lachen. Ik voelde me schuldig en lacherig van de zenuwen tegelijk. Wat was dít? Wat was er gebeurd? Waar kwam die zin vandaan? Het komt uit het niets. Welkom in het theater. Het blijft bestaan: ‘Maaisjes, als jij valt, áltijd iets van máken’.