In 1982 debuteerde Arie Cupé in het liedjesprogramma 'Van Oklahoma tot Anatevka' en sindsdien heeft hij in vele voorstellingen acte de préséance gegeven. De meeste recente voorstellingen waar Arie Cupé in te zien was waren “De Jantjes” en “Harrie let op de kleintjes” In de columns die Arie Cupé maandelijks voor ons zal schrijven, neemt hij je mee naar zijn rijke en persoonlijke theaterverleden.

Binnen het Nederlandse theater zijn er een paar mensen die voor altijd verankerd zitten in mijn geheugen. Om het simpele feit omdat ze altijd zo geweldig waren. Mensen als Ronnie Bierman, Lex Goudsmit, Conny Stuart, Jos Brink, Sylvia de leur, Frans Halsema, Ank van der Moer, Wim Kan, Ellen Vogel, ze zitten in mijn hoofd en gelukkig kunnen we hun werk blijven zien en horen via dvd's, cd's en grammofoonplaten. Ik wéét wel dat dat niet hetzelfde is als een ervaring live in het theater, maar toch. Mocht U van sommigen nog nooit gehoord hebben, door Uw jeugdige leeftijd, dan is er gelukkig YouTube. Zoek ze op en geniet.

Een hele speciale plek heeft voor mij Adèle Bloemendaal. Zo was er maar één. ‘Eenmalige uitgave, nadruk verboden’, zou kasteleines wijlen Annie Linnemann van de Prinsessebar over haar zeggen. En daar had ze gelijk in. Mijn ouders hadden thuis al een paar lp's van de personality-shows, die Adèle op televisie had. En natuurlijk ook van ‘Het Schaep Met De Vijf Pooten, de geweldige serie. En vanuit de jukebox van ons café klonken haar carnaval-hits als ‘Wat heb je gedaan, Daan?’ en ‘Hallelujah Kameraden’. Dus als kind hoorde ik haar al geregeld zingen en spelen op de televisie en radio. Adèle was begin jaren zestig enige jaren getrouwd met Donald Jones en kregen samen een zoon: John Jones.

Omdat de echtlieden na een paar jaar alweer scheidden, heeft ze John als alleenstaande moeder opgevoed. Het kind werd volwassen en had moeder niet meer nodig. De noodzaak om brood op de plank te hebben voor haar kind maakte dat ze daarvoor eigenlijk altijd van alles aangenomen had, als het maar geld opbracht. Maar nu dat niet meer hoefde ging ze de planken op met materiaal, dat ze écht goed vond: mooie teksten, mooie muziek, in een mooie show: ‘Adèle’s Keus’. Het was metéén een tophit. En het begin van een hele reeks succesvolle solo-shows. En die heb ik uiteraard allemaal live in het theater gezien. Maar natuurlijk. Ik had Adèle in 1980 één keer ontmoet. Bij haar thuis. Ik had haar gevraagd of ik eens langs mocht komen voor advies aan een beginnend iemand, binnen dit vak. Dat durfde ik gewoon! Toen ik jong mocht durfde ik alles, op dit gebied. Dat nam later wel af. Maar ik mocht langskomen. Vooral omdat ze gezegd had, in verband met mijn aankomende auditie voor de Kleinkunstacademie, dat als ik niet aangenomen zou worden er hélémáál geen man overboord was, omdat zijzelf het ook zonder had moeten stellen. Daar heb ik écht veel aan gehad toen ik niet aangenomen werd.

Daarna heb ik haar niet meer ontmoet tót 2005, vijfentwintig jaar later dus. Ik speelde toen in de musical ‘Pietje Bell’. Ik deelde de kleedkamer met Eric Beekes. Op zekere avond, tijdens het schminken, zei ik hem dat ik de vólgende avond naar het Nieuwe de la Mar zou gaan, dat theater heette toen nog zo. Ik weet niet eens meer waarhéén, maar dat doet niet zo ter zake. ‘Wat fijn, ik ga ook met Adèle!’, antwoordde Eric. ‘Dan kan jij haar even opvangen, als ik de auto wegzet’. Ik: ‘Nou, echt niet! Dat dúrf ik helemaal niet. Ik kén Adèle niet.’ Eric: ‘Ach, dat maakt toch niet uit, doe dat nou even’. Ik aarzelde. ‘Ze is alleen niet meteen húp gezellig met iedereen, hoor.’ Ik: ‘Nou, je maakt het wel aanlokkelijk!’. Uiteindelijk stemde ik toe. De volgende avond stond ik gek van de zenuwen bij de ingang van het theater te wachten. Auto stopt. Adèle eruit. Auto weg. Adèle viel in mijn armen, kuste me en zei: ‘Een vriend van Eric is een vriend van mij!’. Ik naam haar mee naar de vestiaire, nam haar mantel aan en gaf deze met mijn jas erbij af. ‘Kom in het hoekje staan, lieverd’, sprak ze zacht. ‘Beetje uit het zicht.’ Toen een uiterst vriendelijke meneer zijn jas ging afgeven, herkende hij Adèle, pakte haar hand en zei: ’Mevrouw Bloemendaal, mag ik U bedanken voor ál die jaren, we hebben altijd zó van U genoten’. Adèle nam de complimenten vriendelijk in ontvangst en zei tegen me, toen de man weg was: ‘Altijd even aan je zitten hè. Ze willen áltijd even aan je zitten. Ik ben al blij dat ie niet aan m’n kut zit!’. Gillend van het lachen, ook door mijn zenuwen, lagen Adèle en ik huilend over de toonbank van de garderobe. En toen kwam Eric binnen. Hij zag dat het ijs duidelijk gebroken was. En dat was ook zo. We werden vrienden.

Als een taxichauffeur zei: ‘U bent toch Adèle Bloemendaal’?, dan antwoordde ze gewoon: ‘Nee, dat zeggen ze wel meer

Toen ze mijn Martin ontmoette zat ook dát metéén goed. Bij onze ontmoeting had Adèle al reeds een beroerte en een herseninfarct gehad. Ze functioneerde redelijk, maar trad niet meer op. Heel soms. Ze was eigenlijk een artieste in ruste. Adèle was graag alleen. Het kringetje om zich heen hield ze ook bewust klein, dat vond ze prettig. Alleen financieel had ze de boel niet zo goed geregeld. Had gewoon nooit gespaard, ofzo. Een paar goeie vrienden om haar heen zorgden dat ze toch een beetje normaal leven kon. Vooral Eric Beekes zorgde in dat opzicht heel goed voor haar, zodat ze een prettige oude dag had in haar huisje aan de Oude Schans in haar Mokum. Ik deed dat door met haar elk nieuw seizoen, lente, zomer, herfst en winter, uitgebreid te gaan lunchen in het restaurant waar mijn Martin kok was. Dan kwam ik haar met een taxi halen, we lieten ons naar de zaak rijden, deden een lunch van een uur of vier en dan zette ik Adèle weer met een taxi bij haar huis af. Dat hebben we zo’n 10 jaar gedaan. Met zóveel plezier. Als een taxichauffeur zei: ‘U bent toch Adèle Bloemendaal’?, dan antwoordde ze gewoon: ‘Nee, dat zeggen ze wel meer’, om vervolgens met mij als twee giechelende kinderen op de achterbank te zitten.

Adèle heeft nog nooit één lunchafspraak afgezegd. En het afzeggen van afspraken, daar was ze berucht om! Maar deze lunches vond ze het prettig en ik ook. Zóveel lol! Uiteindelijk verhuisde Adèle naar De Flesseman, een woonzorgcentrum aan de Nieuwmarkt in Amsterdam. ‘Kijk dan Arie, kijk naar buiten, het Sodom en Gomorra! Ik voel me hier zó thuis! Háhá’, en dan klonk haar beroemde, búlderende lach. Helaas kreeg ze vrij snel daarna nóg een herseninfarct, dat haar spraakvermogen wegnam. Een beetje mummelen kon ze. Dus de laatste jaren zaten we een beetje hand in hand naar m’n mobieltje te kijken. Vooral Youtube-filmpjes van Leen Jongewaard vond ze fijn om te zien. Maar we waren dan écht samen. Zonder woorden. Maar vertrouwd zitten, bij elkaar.

Adèle overleed 21 januari 2017, tien dagen na haar 84ste verjaardag. Ze had al lang daarvoor aangegeven dat ze een stille crematie wilde, met een handjevol vrienden en familie. Ze had mij wel eens gezegd: ‘Denk erom Arie, géén bloemen op m’n kist! Enkel een rode clownsneus! Au fond ben ik een comedienne.’ Ik ben blij dat ik die rode clownsneus op de kist mocht verzorgen. Wat een theaterleven! Wat een vrouw! One of a kind! Een vrouw die in haar vak zo onafhankelijk mogelijk wilde zijn en dat ook was, vanaf het moment dat zij haar solo-programma’s ging spelen. ‘Laat mij nou maar begaan’ was de titel van één van haar liedjes en dat was helemaal Adèle: Uniek, onvoorspelbaar en eigenwijs. En één van de allergrootsten in de geschiedenis van ons Nederlands theater.

 

We gebruiken cookies om content en advertenties te personaliseren, om functies voor social media te bieden en om ons websiteverkeer te analyseren. Ook delen we informatie over uw gebruik van onze site met onze partners voor social media, adverteren en analyse. Deze partners kunnen deze gegevens combineren met andere informatie die u aan ze heeft verstrekt of die ze hebben verzameld op basis van uw gebruik van hun services. To find out more about the cookies we use and how to delete them, see our privacy policy.

  I accept cookies from this site.
EU Cookie Directive Module Information