In 1982 debuteerde Arie Cupé in het liedjesprogramma 'Van Oklahoma tot Anatevka' en sindsdien heeft hij in vele voorstellingen acte de présence gegeven. De meeste recente voorstellingen waar Arie Cupé in te zien was waren “De Jantjes” en “Harrie let op de kleintjes” In de columns die Arie Cupé maandelijks voor ons zal schrijven, neemt hij je mee naar zijn rijke en persoonlijke theaterverleden. 

Wat moeten we een tijd meemaken! Iedereen thuis. Geen handen schudden. Sowieso zo min mogelijk contact maken. Voorzichtig boodschappen doen en weer thuis. Afwachten tot het allemaal over is. Hoop doet leven. En hoop heb ik. Dat móet! Voor alle sectoren en mensen. De theaters zijn uiteraard ook dicht, zoals u weet. Alles en iedereen ligt stil. Alle produkties. Als we weten wanneer we weer mogen spelen kunnen we hopelijk zoveel mogelijk voorstellingen inhalen. Laten we er vanuit gaan dat dat gebeuren kan. Alsof we nu op een pauze-toets staan en dat alles daarna weer doorgaat. Dat alles onder controle komt. Gewoon geen mensen dicht op elkaar. Nergens. Even niet.

Toen zat ik te denken ‘moet ik wel een column schrijven over herinneringen die ik heb aan produkties, collega’s, voorstellingen?’. Maar ik dacht er snel achteraan ‘natúúrlijk moet ik dat doen’. En zolang ik speel sta ik in musicals en toneelstukken die natuurlijk in grote en middelgrote theaters te zien zijn. Dat moet alleen al omdat er voor de producenten zoveel mogelijk mensen naar toe moeten kunnen om uit de kosten te komen. Heel simpel.

Maar zing en speel ik dan alleen in dat soort schouwburgen? Nee. Tussen alle werkzaamheden door speel ik graag mijn eigen solo-programma’s met André Vrolijk in het ApollofirstTheater in Amsterdam. Daar kunnen 55 mensen in. En juist zo’n kleine zaal geeft zo’n aparte sfeer. En ik zing, voor mijn eigen lol, ook vaak in de kroeg als André Vrolijk daar die avond werkt, of waar ik word begeleid door mensen als Eddy Hoorenman, Huub Eikenboom of Frank Affolter. En dat brengt mij weer terug naar mijn jeugd.

Zoals ik u al heb verteld hadden mijn ouders tussen 1968 en 1974 een café aan de Haarlemmerweg 91 in Amsterdam. ik was toen een klein jongetje van m’n negende tot mijn twaalfde. En daar zong ik ook. Gewoon met de platen mee. We hadden een jukebox en daar zaten grammofoonplaten in van bijvoorbeeld Heintje en Wilma. De kindersterretjes uit die jaren. Nou, dát repertoire ging ik dus ook zingen. Ik was een vreselijk verlegen kereltje, behálve als ik zong. Dan niet. Ik weet ook nog heel goed dat ik dan tijdens het zingen stond te denken ‘die mensen denken nu wat leuk zo’n klein jongetje’. Dat herinner ik me nog héél scherp, dat mijn jeugdige leeftijd in mijn voordeel werkte. Uitgenast eigenlijk hè. Óf gevoel voor theater, laten we het daar maar op houden.

Arie27 03 2020 01 01

Ik moest altijd met veel volume zingen zonder microfoon, anders kwam ik nooit over die schattige, maar zeer luide, stemmetjes van Heintje en Wilma héén natuurlijk. Dat noodzaakte mij om flink veel adem te happen en geestig genoeg deed ik dat per ongeluk op een goeie manier. Want toen ik later, toen ik 18 was, zangles kreeg van Ans Goudsmit vroeg ze me na de proefles bij wie ik eerder zangles had genoten. Nou, bij niemand. Het bleek dat ik spelenderwijs mijn middenrif altijd goed had gebruikt en dus goed technisch zong. Ik moest nog een hélébóel leren, maar dat niet. Heel fijn.

Terug naar ons café: de kroeg van mijn ouders stopte in 1974 heel abrupt met bestaan. Mijn vader had heel veel last van oorlogssyndroom. Dat wist niemand. Hij had wel altijd veel nachtmerries en angsten, maar dan kreeg hij van de huisdokter een slaapkuur van zes weken en dat was dat. Maar wég ging het niet, uiteraard. Tot er iemand in het café kwam die mijn moeder vertelde dat het volgens hem gewoon van de oorlog kwam en dat er een dokter was in Oegstgeest waar mijn vader naar toe zou moeten. Dat bleek Prof.dr.Jan Bastiaans te zijn. Hij behandelde mensen met een oorlogstrauma. Mijn ouders gingen daar naar toe en mijn vader werd intern opgenomen omdat hij heel erg ziek was. Mijn moeder heeft toen een paar dagen later het café weggedaan omdat ze er voor mijn vader wilde zijn. Dus opééns was het café weg en gingen we ook ergens anders wonen, want de woning boven het café was een bedrijfswoning en hoorde dus bij de kroeg. Wij verhuisden.

Arie27 03 2020 03

Mijn vader kwam na een hele tijd weer thuis maar bleef tot zijn dood, in 1981, onder behandeling. In mijn puberjaren had ik dus ineens geen plek meer waar ik voor mensen kon zingen. Hoewel, op feestjes thuis natuurlijk wel, mijn eerste travestieoptreden op m’n dertiende! Maar ook wel optredens buiten het huis. Klanten van ons café hadden me opgegeven voor een talentenjacht in Krasnapolsky. Daar zong ik liedjes van Jasperina de Jong en Judy Garland, jawel! Mijn broer Freek stond in de coulissen met een platenspeler met daarop de LP’s van Jasperina en Judy. Hij moest precies mikken met de naald op de groeven, want ik moest natuurlijk wel met het juiste liedje meezingen! Heel gek allemaal, maar zo ging het! Ik zong gewoon met de plaat mee en zong harder zodat je de stemmen van Jasperina en Judy niet meer hoorde. Ik werd tweede! Achter een marionnette corps van 20 meisjes! Echt gebeurd!

Arie27 03 2020 05

Ook zong ik op deze manier in de Jelgersmakliniek in Oegstgeest, waar mijn vader behandeld werd. Als dank daarvoor kreeg ik van de directie een boekje met liedteksten van Annie M.G. Schmidt: ‘Water bij de wijn’. Mét een leuke opschrift: ‘Ik wens je veel succes voor de toekomst, het zal je best lukken’. Dat heb je zo nodig, als je zo jong bent en het theatervuur brandt in je donder. Mijn broer Freek had in de zeventiger jaren een hotel aan de Amsterdamse Prinsengracht. Daar zong ik dus ook. Daar was wel een microfoon! Daar was weer een meneer die bij Mies Bouwman werkte bij haar tv-programma ‘Een mens wil op de vrijdagavond wel eens even zitten en een beetje lachen want er is al genoeg ellende in de wereld’, weet u nog ouderen? Ik kon zó meedoen.Tot mijn moeders verbijstering zei ik toen tegen die man ‘nee, dank u wel meneer, ik daar ben ik nog niet goed genoeg voor’. Affijn, ik zong dus in kleine ruimtes, de conversatiezaal van een kliniek, de bar van een hotel. Dat heeft gezorgd dat ik het altijd leuk ben blijven vinden om in kleine zalen op te treden. Vermoed ik.

Arie27 03 2020 06

Maar mijn dagelijkse werk, in toneelstukken en musicals, speelt zich toch hoofdzakelijk af in de grote theaters. En nu ligt alles even helemaal stil. Laten we hopen dat alle produkties weer spoedig kunnen gaan draaien en iedereen weer kan gaan spelen in de schouwburgen. Het móet gewoon lukken, mensen. Dat we weer als publiek en spelers samen kunnen lachen en zingen op de plek waar we zo graag samenkomen: in het theater. Dat de héle samenleving weer draait zoals het moet draaien. Dat iedereen weer aan het werk kan. In álle sectoren, álle gebouwen, óveral mét elkaar! Omein.

We gebruiken cookies om content en advertenties te personaliseren, om functies voor social media te bieden en om ons websiteverkeer te analyseren. Ook delen we informatie over uw gebruik van onze site met onze partners voor social media, adverteren en analyse. Deze partners kunnen deze gegevens combineren met andere informatie die u aan ze heeft verstrekt of die ze hebben verzameld op basis van uw gebruik van hun services. To find out more about the cookies we use and how to delete them, see our privacy policy.

  I accept cookies from this site.
EU Cookie Directive Module Information