Column Arie Cupé: MET ME VLAGGETJE, ME HOEDJE EN ME TOETER

 In 1982 debuteerde Arie Cupé in het liedjesprogramma 'Van Oklahoma tot Anatevka' en sindsdien heeft hij in vele voorstellingen acte de présence gegeven. De meeste recente voorstellingen waar Arie Cupé in te zien was waren “De Jantjes” en “Harrie let op de kleintjes” In de columns die Arie Cupé maandelijks voor ons zal schrijven, neemt hij je mee naar zijn rijke en persoonlijke theaterverleden.

De Corona-tijd maakt dat we met mondkapjes door het leven gaan. De ene keer zie ik een donkerharige man met een zwart mondkapje, wat heel stoer staat. Een soort bankrover. Of een beetje Zorro, hoewel onze Spaanse held natuurlijk geen zwart mondkapje droeg, maar een zwarte band over de bovenkant van zijn gezicht, bóven de neus met gaten voor zijn ogen. Alles behalve Corona-proef natuurlijk. Maar goed, bij knappe, donkere mannen met een zwart mondkapje moet ik tóch aan Zorro denken. Bij andere mannen met witte weggooikapjes verdwijnt dat beeld weer helemaal en moet ik eerder denken aan sneuïge doe-het-zelvers. Mooie dames met kapjes gemaakt met een kleurig design vind ik ook weer heel mooi staan. Alsof het mondkapje deel uitmaakt van een modieus beeld. En ook bij de dames vind ik de witte kapjes toch een noodzakelijke greep naar bescherming. Maar niet mooi.

Maar waar héb ik het over! Laten we hopen dat er gauw iets gevonden wordt tegen Corona en dat we álle kapjes, kleurige of witte, lekker thuis kunnen laten. Maar kijk, vermommen heeft me altijd gefascineerd. Je verkleden: Hoedjes, snorren, pruiken, brillen.

Arie vlag 02
In mijn vroege jeugd hadden we bij boven in ons café een kast vól met verkleedspullen. Die was door mijn vader gevuld. En als de stemming in het café ineens tot féést neigde, legde hij de verschillende objecten in het café op een tafel en konden alle klanten iets opzetten of aandoen. En dan liepen ze ineens met een gekke hoed of een toeter of een pruik rond. Daar ben ik dus mee opgegroeid. En ik deed daar, hoe jong ik ook was, gráág aan mee.
Verkleden! Leuk! En dat is natuurlijk altijd zo gebleven in mijn arbeidzaam leven.

Aan het toneel ben je natuurlijk altijd iemand anders. Je verdiept je in een rol, van binnenuit. Je moet natuurlijk onderzoeken wat het karakter is van je personage. Maar kostuums, pruiken, brillen, kunnen allemaal enorm helpen om je rol te worden. En dat is natuurlijk een vrij logisch verhaal: Een acteur verkleedt zich. Heel normaal. Wat niet zo alledaags is, is dat ik wéét dat als ik alcoholische versnaperingen tot me heb genomen, de drang tot het vermommen ook mijn privéleven binnendringt. De enige versnapering op dit gebied betreft trouwens het overheerlijke drankje Bailey’s. Als ik eenmaal op die toer ga, ben ik vaak niet te stoppen. Niet na twee glaasjes. Misschien na twee flessen. En het is maar een geluk dat ik alleen maar alcohol drink als ik op een feestje ben, in de kroeg of op een andere vrolijke bijeenkomst. En dan moet ik het vaak nog zelf meebrengen ook, want niet overal is Bailey’s aanwezig, natuurlijk. Zelfs op mijn eigen premières moet ik altijd zorgen dat ik zélf een fles meeneem. En ook een klein koeltasje met ijsklontjes. In het betreffende theater waar wij première hebben moet ik dan bij aankomst metéén op jacht naar een koelkast met vriesvak. Daar kan ik mijn ijsklontjes in kwijt, want zonder vind ik Bailey’s niet om te drinken!  Als ik dit zo opschrijf beweeg ik me toch als een soort vreemde alcoholist door zo’n schouwburg. En dat terwijl ik het dus thuis nóóit drink. Hooguit als we een etentje met gasten hebben.

Ik drink dus eigenlijk misschien twee keer per maand een glaasje. Maar goed. Op momenten van het feestvieren in cafés of andere dranklokalen doet zich dus áltijd wel een moment voor waarop ik me niet meer kan bedwingen en uit mijn tas een pruik, of neus, of hoedje pak. Achteraf vind ik het ook altijd heel uitsloverig van mezelf, maar ik kan het niet láten. Mijn vrienden en familie weten dat ik áltijd wel een gekke bril of pruik in mijn tas heb zitten voor het gevál zo’n moment zich voor zal doen. Ik neem maar aan dat het door mijn jeugd komt, door die kast in ons café. Ik lijd er niet onder. En hopelijk de andere aanwezigen op zo’n moment ook niet, maar daar heb ik uiteraard geen kijk op.

Arie vlag 01
Ik zag een keer vanuit de tram Heddy Lester op een fiets naast de tram rijden. We zwaaiden en de tram trok sneller op dan Heddy het kon bijhouden. Maar toen we bij het volgende stoplicht weer naast elkaar stilstonden, had ik inmiddels een vuurrode clownsneus opgezet. Dat veroorzaakte bijna een verkeersongeval, want Heddy viel bijna van haar fiets van het lachen. Ik had tót 2011 trouwens nóg een bijkomstige tic bij alcoholgebruik. Inééns had ik daar geen last meer van. Dus misschien dat ik dat gestoei met hoedjes en pruiken ook nog wel kwijtraak. Wie weet. Want hopelijk loop ik straks als beschonken, hoogbejaarde meneer niet meer lallend met een pruik en een feestneus door het leven. Het zal toch wel ééns over zijn, die behoefte tot verkleden.

Maar goed, ik had het dus over die ándere gewoonte die ik tot 2011 had, met een drankje op. Dat was de behoefte om me te verhogen. Wat betekende dat? Nou, ik ging met een slok op áltijd bovenop een barkruk staan, of ik klom op een gokkast. Waarom? Geen idee. Niet voor de aandacht, want daar zat ik helemaal niet op te wachten. Maar dat fééstelijke gevoel, met een pruik op, met gezellige muziek nóódzaakte me dan gewoon om dat te doen. Heerlijk vond ik dat. Maar daar ben ik inééns vanaf geraakt. Ik weet ook nog precies wanneer de laatste keer was dat ik dat deed:

Tijdens de tournee van de musical ‘La Cage Aux Folles’.  Ik weet niet meer wáár het was, maar we logeerden in elk geval in een hotel. Dat is zeker. Dus het moet ver van Amsterdam geweest zijn. Ik was na de voorstelling met Jon van Eerd en Stanley Burleson de stad in gegaan. Daar kwamen wij in een uitbundige nachtgebeuren terecht. En de alcohol vloeide er rijkelijk uiteraard. Ikzelf was op een bepaald moment zo ver heen dat ik de volgende dag niet meer kon herinneren dat het gebeurd was. Maar Jon vertelde me dat hij en Stanley gezellig op de dansvloer aan het walsen waren en toen ze naar de bar keken, waaraan ik gezellig aan de Bailey’s zat, zagen dat ik intussen op mijn barkruk geklommen was en daar lallend en zingend op stond te dansen. Omdat ik zo hoog gerezen was stond ik ook op ooghoogte van de lampjes, die om de meter boven de bar hingen. En daar gaf in op de maat van de muziek ook steeds een tikje tegen. Tot vreugde van de barkeepers, want ik deed dat natuurlijk niet met grof geweld maar heel subtiel. Maar Jon schrok zich kapot toen hij zijn collega zo bezig zag en spoedde zich naar me toe en hielp me naar beneden. Onder groot protest van mijzelve. Alles liep goed af. Geen ongelukken. Want Jon zag mij natuurlijk al zingend en tegen de lampjes tikkend ineens van de kruk af storten met alle gevolgen van dien. Hij heeft mij hiervoor behoed, mensen. Leve Jon van Eerd! Niet alleen hierom natuurlijk, sowieso, maar óók vanwege deze reddingsactie!

Maar U kunt gerust zijn, vrienden. Dat klimmen en verhogen doe ik dus niet meer. U zou mij hooguit in de toekomst nog kunnen aantreffen in een horecabedrijf met me vlaggetje, me hoedje en me toeter! Maar dat is zeer onschuldig. Heus. Echt waar.

We gebruiken cookies om content en advertenties te personaliseren, om functies voor social media te bieden en om ons websiteverkeer te analyseren. Ook delen we informatie over uw gebruik van onze site met onze partners voor social media, adverteren en analyse. Deze partners kunnen deze gegevens combineren met andere informatie die u aan ze heeft verstrekt of die ze hebben verzameld op basis van uw gebruik van hun services. To find out more about the cookies we use and how to delete them, see our privacy policy.

  I accept cookies from this site.
EU Cookie Directive Module Information