Column Arie Cupé: DAT LEVEN IN DE KLEEDKAMER

In 1982 debuteerde Arie Cupé in het liedjesprogramma 'Van Oklahoma tot Anatevka' en sindsdien heeft hij in vele voorstellingen acte de présence gegeven. De meeste recente voorstellingen waar Arie Cupé in te zien was waren “De Jantjes” en “Harrie let op de kleintjes” In de columns die Arie Cupé maandelijks voor ons zal schrijven, neemt hij je mee naar zijn rijke en persoonlijke theaterverleden. 

In 1974 zag ik voor het eerst een kleedkamer. Ik was toen 12 jaar. Ik deed mee aan een talentenjacht in Hotel Krasnapolsy Amsterdam. Er was een echte theaterzaal mét kleedkamers. Het romantische beeld dat ik van ‘de kleedkamer’ had blééf in stand, ook toen ik zag dat het daar een armoedig kamertje betrof met een spiegel en gebrekkig licht. Want kijk, het was tóch een echte kleedkamer, mijn kleedkamer! Pas 10 jaar later zou ik weer een echte kleedkamer in een theater hebben. In die tussenliggende periode zag ik wel kleedkamers van binnen. Meteen al hetzelfde jaar, 1974, de kleedkamer van André van Duin en Frans van Dusschoten in Carré. Een jaar later in het Nieuwe de la Mar Theater in de kleedkamer van Rini Blaaser van het Amstel Toneel. In de daaropvolgende jaren in datzelfde Nieuwe de la Mar in de kleedkamer geweest bij Conny Stuart. En in Carré bij o.a. Jasperina de Jong, Carry Tefsen, Jos Brink en Ronnie Bierman. Dat durfde ik gewoon. Ik ging dan backstage en klopte gewoon aan, met m’n handtekeningenboek onder m’n arm. Maar dat waren dus allemaal kleedkamers van mijn grote toekomstige collega’s.

In 1981 werd ik op m’n 19e diskjockey in café ’t Pandje in Amsterdam: Vrijdag, zaterdag en zondag. Ik draaide de hele avond plaatjes en lulde ze aan elkaar, ik zong liedjes met orkestbanden op cassettes en af en toe ging ik naar boven om me te verkleden voor mijn prille Claudette Ball-act. Boven de kroeg was een soort zolder. Daar had ik een kleedkamer van gemaakt: Een rek voor kostuums, een tafel, een spiegel. Er was alleen geen goed licht. Dus daar wilde ik verandering in brengen. Ik vond het wel romantisch als er lampjes om de spiegel héén zouden komen. Dus ik ging naar verlichtingsspecialiteit-zaak Aurora op de Vijzelstraat en kocht daar losse fittings en een soort groen rubberen koord waar je de fittings op kon klikken en aanschroeven. Dus dat deed ik. Toen draaide ik er lampjes in en bevestigde de draad rondom de spiegel. Ik vertelde het niemand: Verrassing! Nou, dat was het zeker! Ook voor mij! Toen ik de stekker in het stopcontact deed sloegen meteen met een rotklap alle stoppen door. Het hele café was donker. Muziek uit. Alleen de kaarsjes op de bar gaven verlichting.  Gauw deed ik de stekker er uit en ging naar beneden. Daar trof ik natuurlijk een joelende troep mensen aan, lacherig. De eigenaar vernieuwde de stoppen en alles ging weer aan. Gelukkig!

Een paar dagen heb ik de draad met lampjes niet meer durven aanraken. Maar toen kreeg ik weer moed en de hele actie herhaalde zich. Boem! Wéér alles uit! Ik ben toen de volgende dag met de draad met lampjes naar Aurora gegaan. Toen ik de draad liet zien riep de meneer daar: ‘Welke idióót heeft dit zo gemaakt?’ Ik durfde het niet te zeggen. Ik zei: ‘Tja, dat heeft m’n baas gedaan, die weet niks van elektriciteit, volgens mij’. ‘Nee, dat weet ik wel zeker!’ schreeuwde de man. ‘Ach meneer, kunt U het misschien even in orde maken, anders gaat het straks weer fout, de stoppen waren al twee keer doorgeslagen’. De man keek naar dat jonge jongetje en wilde dat wel. Er moest, geloof ik, een kroonsteentje aan en iets met tape. Affijn, ik kreeg de draad voorzien met alles weer mee en toen ik de man uitbundig bedankt had hoorde ik hem bij het weggaan nog briesen tegen zijn collega’s: ‘Nou, díe jongen heeft een achterlijke baas! Wát een mafkees! Gelukkig is die jongen hier naar toe gekomen, anders had die baas van ‘m de hele zaak laten afbranden!’. In ’t pandje aangekomen ging ik meteen naar boven, bevestigde de draad langs de spiegel, deed de stekker in het stopcontact en ja hoor; leuke kleine brandende lampjes rondom de spiegel! Het was nu een echte kleedkamer!

Kleedkamer 01

Toen ik in het theater ging werken ging ik natuurlijk pas merken wat een kleedkamer is. Het is een stukje privé van jou, van eventuele medespelers en van de kleedsters. Die mogen er altijd in! Natuurlijk! En die weten ook altijd alles. Maar goeie kleedsters hebben ‘horen, zien en zwijgen’ hoog in hun vaandel.

We lachen in kleedkamers, huilen er soms, gillen er vaak, vloeken er regelmatig. We schminken en kleden ons, we bereiden ons voor op de voorstelling. Op mijn kleedkamer staan heel veel foto’s. Ook rondom de spiegel. Ik omring me graag met mensen waar ik van hou of wie ik bewonder en soms gaat dat ook nog samen. Ik doe dat al zolang ik speel. Het groeide natuurlijk met de jaren. Het zit allemaal in m’n schminkkoffertje en het staat in 10 minuten. En het is ook weer in 10 minuten weg. Ik dacht zelf altijd dat ik gewoon de drang had om de kleedkamer gezellig te maken, maar mijn goede vriend Pieter-Jan Willems zei me ooit dat ik dat óók deed om in de mood van het spelen te komen. Een soort concentratie. Dat is wel waar, denk ik. Maar hoe dan ook, collega’s die door de jaren heen met mij gekleed hebben kennen die foto’s. Ze zaten een seizoen (of langer) náást me: Dick Cohen, Johnny Kraaykamp, Heddy Lester, Paul van Ewijk, Winston Post en véle anderen.

Kleedkamer 02

Fotograaf Rob Nijpels maakte in 2016 een geweldig groot fotoboek met zijn theaterfotografie van de afgelopen 30 jaar. Er staat ook een mooie foto van mij in, zittend aan mijn kleedkamertafel, verdeeld over twee pagina’s, 80 X 50 cm!. Echt prachtig! Voel me zeer vereerd dat ik er in mocht staan. Met al die foto’s om me heen die eigenlijk alleen maar door mijn collega’s gezien worden.

Sinds 2009 zit Jon van Eerd met grote regelmaat naast me. Soms een seizoentje niet, maar meestal wel. En dat is een enórm voorrecht. Om te kleden met een iemand waar ik zeer bevriend mee ben en waar ik echt mee kan lachen en huilen. Het gaat veel verder dan een voorbereiding voor de voorstelling, die avond. Zo gauw we de kleedkamer binnenkomen gaan we met het gesprek door waar we gisteren waren gestopt. Zo gaat dat.

Buiten de praktische zaken die bij een kleedkamer horen (goed licht rond de spiegel, een wasbak, een kledingrek) moet je je op die plek heel veilig kunnen voelen. Je moet rustig naar de voorstelling kunnen sudderen.  Alle kleedkamers van alle theaters in Nederland krijgen elke keer weer andere bewoners. Als ik een voorstelling van een collega bezoek en na afloop in de kleedkamer kom, hoort zo’n ruimte ook meteen echt niet bij mij, terwijl ik er misschien een week later zelf zit. En dán is het ineens weer wél míjn terrein.

Wonderlijk hè. Maar het ís ook wonderlijk; Dat leven in de kleedkamer.

We gebruiken cookies om content en advertenties te personaliseren, om functies voor social media te bieden en om ons websiteverkeer te analyseren. Ook delen we informatie over uw gebruik van onze site met onze partners voor social media, adverteren en analyse. Deze partners kunnen deze gegevens combineren met andere informatie die u aan ze heeft verstrekt of die ze hebben verzameld op basis van uw gebruik van hun services. To find out more about the cookies we use and how to delete them, see our privacy policy.

  I accept cookies from this site.
EU Cookie Directive Module Information